De nieuwe meerwaardebelasting: een rem op het Belgische ondernemerschap Kristof Beckers 14 juli 2025

De nieuwe meerwaardebelasting: een rem op het Belgische ondernemerschap

Vanaf 1 januari 2026 voert België een meerwaardebelasting van 10% in op aandelen en andere financiële activa in de privésfeer. In theorie lijkt dit tarief van 10% redelijk en is het zelfs voorzien van een aantal vrijstellingen – zo krijgen kleine beleggers elk jaar €10.000 meerwaarde onbelast, en ondernemers met een aanmerkelijk belang (>20% aandelen) genieten een vrijstelling tot €1 miljoen en lagere tarieven op de volgende schijven. Toch heerst er grote ongerustheid bij ondernemers, vooral bij KMO-bedrijfsleiders, familiebedrijven en investeerders in start-ups. Zij vrezen dat deze nieuwe taks in de praktijk uitmondt in een complexe en ondermijnende belasting die gezonde ondernemerszin bestraft. België was al “wereldkampioen in belastingen”, zoals Ruben Lemmens van werkgeversorganisatie VKW opmerkte. Een bijkomende “solidariteitsbijdrage” bovenop de toch al hoge fiscale druk voelt voor vele ondernemers dan ook aan als de druppel die de emmer doet overlopen.

Complexe berekening en waardering. Een eerste pijnpunt is de buitengewoon complexe berekeningswijze van de meerwaardebelasting voor niet-beursgenoteerde aandelen. Enkel de waardestijging na 31 december 2025 zal belast worden. Dat impliceert dat men de beginwaarde van elk bedrijf moet vastleggen op die datum – een soort fotomoment van de ondernemingswaarde. Voor veel ondernemers is het echter allesbehalve eenvoudig om de waarde van hun aandelen te bepalen op 31/12/2025. De wet voorziet een forfaitaire formule gebaseerd op het eigen vermogen plus 4× EBITDA van het boekjaar. Wie daarvan wil afwijken en een hogere beginwaarde wil aantonen (wat voordelig is om de latere meerwaarde te verkleinen), moet tegen eind 2026 een onafhankelijk verslag laten opstellen door een bedrijfsrevisor of accountant. Dit brengt kosten en administratieve last met zich mee, en zelfs dan is er geen garantie op zekerheid: de fiscus behoudt zich het recht voor om jaren later (desnoods bij verkoop in pakweg 2046) die startwaardering te betwisten, indien zij vermoedt dat de waardering niet marktconform was. Dergelijke mogelijkheid schept rechtsonzekerheid. Ondernemers dreigen dus jarenlang met een fiscale stok achter de deur te zitten, onwetend of de door hen gekozen waarderingsmethode wel geaccepteerd zal worden.

Een bijkomend probleem stelt zich bij start-ups en scale-ups, die vaak in volle investeringsfase zitten. Bij hen is de EBITDA in 2025 vaak beperkt of zelfs negatief, waardoor de forfaitaire waarderingsformule volledig tekortschiet. Dat maakt hen vrijwel verplicht om een externe waardering te laten opmaken – met alle bijkomende kosten en onzekerheid van dien. Ook hier dreigt de prikkel te ontstaan om het bedrijf louter om fiscale redenen in een bepaalde vorm of fase te dwingen, wat zelden in het belang is van de onderneming zelf of haar investeerders.

Het gevolg is dat er nu al koortsachtig gerekend en gepland wordt: men laat bedrijven haastig waarderen, en beseft dat boekhoudkundige ingrepen in de jaarcijfers van 2025 (bv. reserves, afschrijvingen) een grote invloed kunnen hebben op die fiscale beginwaarde. Deze complexiteit leidt de aandacht van ondernemers af van waar ze eigenlijk mee bezig zouden moeten zijn – hun zaak laten groeien.

Bureaucratie en impact op transacties. Naast de berekening zelf, baart ook de uitvoering van de taks zorgen. Voortaan wordt elke verkoop van aandelen een pak ingewikkelder. Wie zijn bedrijf (of een deel ervan) verkoopt, zal rekening moeten houden met het inhouden en afdragen van de 10% meerwaardebelasting. Formeel is de verkoper verplicht de taks te laten inhouden (tenzij het een onderhandse transactie betreft en de verkoper minstens 20% participatie heeft). Financiële tussenpersonen zoals banken en makelaars worden ook verplicht om transacties te rapporteren aan de fiscus. Dit betekent extra formaliteiten en papierwerk bij elke aandelenoverdracht – een nieuw hindernissenparcours bovenop de bestaande administratie. Johann Leten van Voka Limburg waarschuwde dat deze maatregel ondernemen en investeren nóg lastiger maakt: “Deze meerwaardebelasting zorgt voor een extra belasting en bijkomende juridische en administratieve complexiteit. We hebben geen nood aan een nieuwe belasting, maar wel aan maatregelen die de economische groei ondersteunen.”. Bovendien blijven er veel onduidelijkheden in de wet die transactie-structuren bemoeilijken. Zo wordt het bestaande regime rond interne meerwaarden (bijvoorbeeld wanneer men zijn vennootschap verkoopt aan een eigen holding of familiale vennootschap) behouden: zulke interne overdrachten dreigen belast te worden aan 33% in plaats van 10%. Die hoge strafheffing is bedoeld om misbruik te voorkomen, maar treft ook legitieme herstructureringen. Het maakt de fiscale regelgeving bijzonder complex en zal volgens experts potentieel tot veel discussies met de fiscus leiden. Een familiebedrijf dat bijvoorbeeld zijn structuur wil vereenvoudigen of aandelen wil herschikken binnen de familie, krijgt te maken met fiscale valkuilen die voorheen niet speelden. Ook bij klassieke verkoopsafspraken in M&A transacties duiken nieuwe vragen op: hoe om te gaan met earn-outs (uitgestelde betalingen gekoppeld aan toekomstige resultaten) of vendor loans (leningen van de verkoper aan de koper)? Die kunnen nu onverwachte fiscale gevolgen hebben, aangezien de belasting meteen verschuldigd is over de volledige meerwaarde ook al krijgt de verkoper niet alles meteen in cash. Kortom, waar bedrijfsoverdrachten vroeger relatief vlot private deals konden zijn, dreigt nu een kluwen van inhoudingen, meldplichten en fiscale uitzonderingsbepalingen. Dat bureaucratische kluwen kost tijd en geld, en ontmoedigt potentieel transacties.

Twijfel over tarief en rechtszekerheid. Een andere grote zorg bij ondernemers is dat het introductietarief van 10% slechts het begin is. Vandaag belooft de regering een matige heffing met ruime vrijstellingen voor ondernemers. Maar wat brengt de toekomst? België kent helaas een traditie van fiscale doelpalen die verschuiven. In 2012 werd de roerende voorheffing op dividenden nog “tijdelijk” verhoogd naar 21%, inmiddels is dit standaard 30%. Zulke precedenten voeden de vrees dat een volgende regering het nieuwe meerwaardetarief makkelijk kan opschroeven zodra de structuur er eenmaal is. “Wat vandaag 10% is, zou een volgende regering zomaar kunnen optrekken tot 20 of zelfs 30%,” waarschuwt Ruben Lemmens (VKW). Ook de uitzonderingen van nu (zoals de vrijgestelde eerste schijf van €1 miljoen voor grote aandeelhouders) zijn geen verworven rechten voor de eeuwigheid – “vandaag is de vrijstelling er, morgen misschien niet meer”, zo klinkt het in ondernemerskringen. Die onzekerheid ondergraaft het vertrouwen. Rechtszekerheid is nochtans cruciaal in fiscale zaken: ondernemers moeten investeringsbeslissingen nemen op lange termijn en exit-strategieën uitstippelen, wat moeilijk gaat als het fiscale regime ieder begrotingsconclaaf aangepast kan worden. De huidige wettekst voorziet bovendien geen mechanismen om het tarief vast te klikken of om langetermijnengagement te belonen (een voorstel om een vrijstelling te geven aan aandeelhouders die minstens 10 jaar investeren, werd afgevoerd). Hierdoor voelen ondernemers zich weinig gesterkt in hun plannen – integendeel, sommigen overwegen vervroegd te verkopen vóór 2026 of zoeken uitwegen via buitenlandse structuren, precies het omgekeerde van wat de overheid beoogt.

Familiebedrijven en scale-ups onbedoeld getroffen. De nieuwe meerwaardebelasting werd politiek verkocht als een bijdrage van de “sterkste schouders” – het zou vooral de superrijken raken. In de praktijk echter dreigt ze disproportioneel gewone ondernemers te treffen, met name familiale KMO’s en start-ups. Bart Lodewyckx van UNIZO Limburg verwoordde het treffend: “De vrijstelling tot 1 miljoen is goed, maar in deze regeling zijn het onze familiebedrijven en jonge scale-ups die een hoge prijs betalen, hoewel ze allerminst tot de geviseerde doelgroep van de ‘superrijken’ behoren”. Een voorbeeld: in veel familiebedrijven bezitten ouders en kinderen elk een kleiner aandeel, bijvoorbeeld 15% elk. Individueel haalt niemand de 20%-drempel voor het gunstregime, waardoor bij een verkoop geen €1 miljoen vrijstelling geldt en slechts de standaardjaardrempel van €10.000. Gezinsleden kunnen hun participaties niet samentellen om aan de 20% te komen. Ironisch genoeg zijn dit net de bedrijven die vaak generaties lang hard hebben gewerkt en geïnvesteerd in groei en jobs – geen speculanten of multimiljardairs. “Opnieuw worden bedrijven die generaties lang hebben geïnvesteerd in mensen, werk en groei geraakt door een beleid dat te weinig oog heeft voor hun cruciale rol in onze economie. Familiebedrijven zijn en blijven de hoeksteen van onze economie,” aldus Lodewyckx. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij start-ups en groeibedrijven: om kapitaal op te halen verwatert het aandeel van de oprichters vaak onder de 20%. Niet alleen familiebedrijven, ook vele scale-ups worden zo het slachtoffer. “Start-ups hebben al vlug extern kapitaal nodig waardoor het aandelenbelang van de founders verwatert. Ook hier gaat het niet over superrijken, maar startende ondernemers die met veel risico hopelijk ooit op lange termijn meerwaarden realiseren,” zegt Lodewyckx. Precies die beloofde meerwaarde op termijn – de mogelijke beloning voor jaren inzet en risico – wordt nu afgeroomd door de fiscus. Bovendien worden deze groei-ondernemingen op één hoop gegooid met kapitaalkrachtige financiële spelers, hetgeen “de bal volledig misslaat. Zo verandert een belasting op vermogenswinsten in een boete op gezond ondernemerschap en dat kan niet de bedoeling zijn.” Deze harde woorden tonen hoe zuur de maatregel bij vele ondernemersorganisaties valt.

Verstorende effecten op investeringen. De nieuwe taks dreigt ook het investeringsklimaat te verstoren. Investeerders – denk aan angel investors of ondernemers die in elkaars projecten participeren – zien de potentiële netto-opbrengst van hun risicokapitaal dalen met 10%. Lemmens stelt dat deze belasting vooral “de bouwers van onze economie treft: investeerders die met kapitaal risico’s durven nemen, start- en scale-ups die innovatie aandrijven en familiebedrijven die generaties lang verankerd zijn in hun regio.” Wanneer het rendement op succesvolle exits afneemt, zal de bereidheid om te investeren in nieuwe projecten mogelijk evenredig afnemen. Zeker als men vreest dat 10% later 20% wordt, zoals besproken, zullen kapitaalverschaffers een hogere risicopremie eisen of domweg minder investeren – een rem op innovatie en groei waar onze economie zichzelf eigenlijk geen luxe van kan veroorloven. Ondernemers zullen wellicht ook hun gedrag aanpassen om de belasting te omzeilen of te minimaliseren. Zo wordt voorspeld dat men meer via vennootschappen zal gaan investeren in plaats van als natuurlijke persoon, of dat er constructies via fondsen (privak-structuren) en managementvennootschapjes (ManCo’s) gebruikt zullen worden die buiten het toepassingsgebied vallen. Dergelijke omwegen voegen wederom lagen van complexiteit toe en zijn vanuit economisch oogpunt inefficiënt. Kortom, de prikkel om te ondernemen en te investeren krijgt een knauw, terwijl net méér durfkapitaal en groei-investeringen nodig zijn voor de welvaart van morgen.

Hoge belastingdruk en het belang van stabiel beleid. Belgische ondernemers kampen nu al met een van de hoogste belastingdrukken ter wereld, gaande van vennootschapsbelasting en dividendbelasting tot torenhoge sociale bijdragen en loonkosten. Dat het beleid nu opnieuw een extra heffing invoert – en dit met de nodige triumfalisme volgens sommige politici – schiet bij velen in het verkeerde keelgat. “Onze ondernemers, de echte motoren van welvaart en werkgelegenheid, behoorden al tot de top van belastingbetalers,” fulmineert Lemmens. In plaats van zuurstof te krijgen, voelt men zich verder uitgeknepen. Het vertrouwen in de fiscale rechtszekerheid krijgt daarbij een deuk: welke belofte geldt morgen nog? Goede fiscaliteit zou voorspelbaar, eenvoudig en fair moeten zijn. Deze meerwaardebelasting scoort voorlopig pover op die punten – er is sprake van koterijen en uitzonderingen, complexe waarderingsregels en een tarief dat politiek alle kanten op kan. Natuurlijk, niemand betwist dat ook kapitaalwinsten mogen bijdragen aan de samenleving. Maar dit kan best op een manier die de kern van het ondernemen intact laat. Het doel mag niet uit het oog verloren worden: economische groei stimuleren, innovatieve bedrijven aantrekken en werkgelegenheid creëren. In de woorden van Ruben Lemmens: “Stop toch met maatregelen die onze economie en koopkracht ondergraven. Als je de koe slacht, geeft ze geen melk meer.” Met andere woorden, een belastingmaatregel die het fundament van ondernemerschap aantast, dreigt zichzelf uiteindelijk in de vingers te snijden. Hopelijk beseft men tijdig dat het stimuleren van ondernemingslust en investeringszin de enige duurzame weg is naar meer welvaart – iets wat met deze meerwaardebelasting eerder verder uit zicht dreigt te raken.